Archief voor de 'Haibun (haiku-verhalen)'Categorie

Wat wil je zien?

16 maart 2012

Alleen over Zenzientekenen, of alleen over Haiku&Tanka, of over Haibun, of Daoisme en Taiji, Zen/Ch’an, Penseeltekeningen. Of alles.

Haibun-project

16 januari 2012

Vandaag de start van een project om tot meer haibun schrijven te komen… twee haibun per maand.

Verborgen tussen het riet

24 april 2011

Het laatste stuk van onze wandeling gaat over een één-persoon-breed paadje. Knotwilgen en een slootje aan beide kanten.

Een meerkoetmannetje brengt een tak naar zijn vrouwtje op het nest. Zij pakt het aan en vervolgt zittend haar bouwwerkzaamheden. In een weiland langs één van de sloten zit een zwaan te broeden. We zien het allemaal wel, maar aan het eind van deze lange wandeling hebben we er niet al teveel oog meer voor.

Even verderop staan twee wandelaars stil. Aandachtig kijken ze naar iets wits dat één van hen in zijn hand heeft. Als wij langskomen kijken ze even op, groeten ons en kijken aandachtig verder naar wat zij vonden.

Paaswandeling –
verborgen tussen het riet
een golfballetje

voetballertje

14 april 2011

Een rustige dorpswijk. Het veldje tussen de huizen is leeg; op een jochie van een jaar of tien na. Helemaal in zijn eentje speelt hij ‘voetballertje’. Wordt getackled, valt op de grond, rolt overdreven door, grijpt naar zijn opgetrokken scheenbeen en ligt te draaien van de pijn. Dan staat hij monter op, loopt richting bal, wordt weer getackled en gaat wéér naar de grond – als een profvoetballer die een kaart probeert te versieren.

op één poot
zonder wankelen
een eend in slaap

Vervelend lang aangehouden…

11 april 2011

Het is 2.47 uur. Iets heeft me kennelijk gewekt. M. is ook wakker. We kijken elkaar aan: “Het zal toch niet weer…” Ja hoor: de bel gaat. Vervelend lang aangehouden, zoals de andere keren.

De eerste keer keek ik van bovenaan de trap eerst voorzichtig door het voordeurraam, want ‘s nachts open doen is niet ongevaarlijk. Nu ga ik er vanuit dat zij het weer is. Ik haal de deur van de knip en maak open. Boerend, hakkelend vraagt ze, haar hand naar me uitstekend met iets onzichtbaars tussen duim en wijsvinger:

“Kunt u even… mijn oorbel?”
“Nee, mevrouw, het is midden in de nacht, legt u uw oorbel maar even op uw tafel en komt u overdag maar terug.”
“Eventjes…, kunt u uw vrouw even roepen die kan dat zo goed.”
“Nee, mevrouw, mijn vrouw slaapt, iedereen slaapt, dat doe ik niet, legt u uw oorbel maar op tafel en komt u overdag maar terug.”

Toen ze voor het eerst ‘s nachts aanbelde – het was toen 3 uur – stond de oude Indonesisch-Chinese vrouw er met een bakje Chinese snacks, stevig met plakband dichtgeplakt. Of ik dat voor haar kon openen. Verbouwereerd door dit onverwachte bezoek probeerde ik het even, maar toen het niet meteen lukte realiseerde ik me dat dit te ver ging.

Bijna iedere dag komt ze wel één of twee keer langs – overdag – om de radio op de goede zender te laten zetten, of om het telefoonnummer van haar vriend te vragen. Soms komt ze later terug om ons te vragen ‘het niet tegen haar vriend te zeggen, anders wordt hij zo boos’.

 

laagstaande zon
schuilgaand achter
een deken van mist

Tanka-reeks en tanka-tekst (schaduwspoor)

6 april 2011

Japan — het land, de mensen
Simon Buschman

Een bodembeving
in het diepste van de zee,
de vloedgolf rijst op,
stevent verraderlijk kalm
naar de kust en haar steden.

In ogenblikken
verdwijnt wat er sinds eeuwen
zijn vaste grond vond;
duizenden, meegesleurd — nu:
lichamen onder het puin.

In het niemandsland,
een gevecht tegen de tijd:
hun doden zoeken;
striemende regens, angst, sneeuw
en moddersilhouetten.

Dit dorp, weggevaagd,
de ingeplante akkers
onvindbaar, o land;
de heuvels rondom, nevels,
onheilspellend — demonen.

Geen woorden meer,
een klein gebaar, een buiging,
een godenoffer.
Wat rest ons, buitenstaanders
— laten we kaarsen branden.


Onteigend verdriet
Arnold Vermeeren

Simon vertelde me dat een Japanse vriend hem had gezegd: “Het Westen onteigent ons verdriet, eigent het zich toe – tot ons meerder verdriet.” Dat was na de bodembeving in de oceaan, de tsunami erna en de Fukushima-ramp; en alle media-aandacht die daarbij hoorde. Ik had al die beelden gezien. Ik had het erg gevonden. En nu vertelt iemand me dat ik – ‘het Westen’ – daarmee zijn verdriet afpak?

Boosheid. Ik voel me aangesproken – begrijp het niet. Mag ik niet meevoelen? Had ik die beelden niet mogen bekijken? Maar ook: hij voelt dat zo! Wie ben ik – buitenstaander, in comfortabele omstandigheden – om me daar boos over te maken? Hij heeft gelijk, het zou wel wat minder mogen, maar wat kan ik?

Hier is volop zon,
maar hoge wolken werpen
elders een schaduw;
als al mijn doen zal falen
— hier en nu — wat doe ik dán?*

Een andere Japanner schreef: “In het diepste duister kun je slechts stil zitten en wachten tot je ogen wennen aan het duister.”**

Laat ik, naar het voorbeeld van Simon, een kaarsje branden. En – niet in het diepste duister – toch stil gaan zitten.

*De laatste twee regels zijn een vertaling van Shin’ichi Hisamatsu’s ‘fundamentele’ zen koan.
**Citaat uit Norwegian Wood van Haruki Murakami.

Dat telefoontje

15 maart 2011

Het keiharde werken aan zijn oude, vervallen huisje is voorbij. De schouder- en rugpijnen die er het gevolg van waren, zijn er nog. Het geld voor verdere verbouwingen was op en de pijn was te heftig geworden.

Met zijn familie heeft hij geen contact meer en zijn vrienden wonen ver weg, in Nederland. Af en toe surft hij nog wat op het internet. Niet te lang, want dan gaat die schouder weer flink pijn doen. Het dorpje waar hij woont, telt minder dan honderd inwoners. Hij heeft nauwelijks contact met ze. De dorpsgenoten zijn oud en wonen er van jongs af aan al. Hij is er de man van middelbare leeftijd die met zijn zoon daar een nieuw leven begon. Het viel hem zwaar om voor alles geheel op zichzelf aangewezen te zijn. Tijd om daarbij stil te staan was er echter niet. Het dag in dag uit moeten klussen, het steeds weer hulp moeten zoeken voor zijn zoon en het gevecht om hem bij zich te mogen houden, hielden hem, hoe tegenstrijdig ook, op de been.

Hij vertelt dat zijn zoon nu een half jaar weg is;
dat hij het gevecht verloren heeft;
dat hij uit wanhoop zijn zoon bij haar heeft afgezet;
dat alles nu zo anders is.

Dat telefoontje:
zijn eens zo vrolijke stem,
vlak als een robot;
vanuit een donkere sloot
komen luchtbellen omhoog.

Een ontregelende zin

13 februari 2011

Een ontregelende zin

Geheel onverwachts: een reactie van een onbekende op mijn weblog. Dat wekt nieuwsgierigheid. Een reactie waarop? Wat voor iemand reageert er nou op mijn blog? Behalve van een paar bekenden komt er zelden een reactie.

Het is een enthousiaste reactie. Zonder naam. Slechts een afkorting, waarschijnlijk initialen. Door te klikken op de initialen kom ik op de blog van een vrouw van ongeveer mijn leeftijd. Ik lees over wat haar zoal bezighoudt. Goed geschreven verhalen. Zo te lezen iemand die nogal wat voor haar kiezen heeft gekregen. Waarschijnlijk gelouterd door wat er allemaal is voorgevallen, komt ze (althans via haar blog) krachtig over. Als een vrouw die alert en zelfverzekerd in het leven staat. Van vrouwelijke collega’s op mijn werk weet ik dat sommige mensen – zowel mannen als vrouwen – daar moeite mee hebben. In de trefwoordenwolk op haar blog kom ik het woord dramaqueen tegen. Maar ze komt allerminst over als een drammerig, onredelijk iemand die zichzelf steeds in een slachtofferrol plaatst.

Ik lees één van haar openhartig geschreven verhalen. Een nogal heftig verhaal over haar zoon, diens vader en de naweeën van een scheiding. Geschreven zonder overdreven emoties, maar zeker niet koel en afstandelijk. Zoals ik al zei: goed geschreven. Ik schrijf een opbeurend bedoelde reactie.

‘s Avonds laat zie ik dat mijn reactie gelezen is. Ze heeft herkend dat ik het was die reageerde: …bij jou zag ik die fantastische opname van een taichigrootmeester! Lenteregen voor de ziel

Lenteregen voor de ziel… Wat een fantastiche uitdrukking!

De volgende dag, tijdens mijn wekelijkse ochtend taiji vergis ik me regelmatig in mijn bewegingen. Die ene, prachtige zin laat me niet met rust; hij blijft maar opduiken in mijn gedachten. Zo’n prachtige zin van een waarschijnlijk bijzonder iemand over gewoon een taiji-filmpje op mijn blog.

na een ochtend
van aanhoudend gemiezer:
hortensiaknoppen

Gooien!

22 augustus 2010

(verbeterde versie)

Het zal zo’n veertig jaar geleden zijn. We woonden in Oss, in het katholieke zuiden. Ik was een jaar of 10 en zat op de Rooms-Katholieke lagere school St. Gerardus Majella. In die tijd ging je na school altijd eerst thuis thee drinken (met één koekje). Vervolgens werd je naar buiten gestuurd om te gaan spelen, zin of geen zin.

Tegenover ons huis stond een voor ons wat vreemde lagere school: School 1940-1945, een openbare school. In de volksmond was dat de protestantse school (als je niet katholiek was, moest je immers wel protestant zijn).

Ik herinner me nog dat het winter was. Er lag een flink pak sneeuw. We maakten sneeuwhutten rond het schoolplein en sneeuwmuurtjes waarachter je je kon verschuilen. En dan maar wachten tot ze naar buiten kwamen.

“Ja, daar komen ze! Gooien!” 

Sneeuwballen gooien tegen de protestanten heette dat ‘spelletje’. Dat deden we niet omdat ze protestant waren of omdat ze ons wat gedaan hadden: we kenden hen niet en er was ons ook niet verteld dat protestanten slecht waren. De meeste ‘protestanten’ woonden niet in onze buurt, het waren vreemden voor ons, maar ze hoefden nou ook weer niet weg. Ik kan me niet herinneren dat we een speciale reden hadden om juist hén aan te vallen. 

Misschien was het ‘alleen maar’ omdat wij wij waren en zij zij.

In het boek Mens tegen alles in las ik dat de schrijver ervan, Frederick Franck, zoiets zag als een uiting van het ‘dierlijke’ in de mens. Iets dat je moet leren ontstijgen door het ontwikkelen van de volgens hem typisch ‘menselijke’ eigenschappen empathie en mededogen.

woeste winterwind -
de ligusterhaag neemt
mussen in zich op

Zacht gebonk…

30 april 2010

8.45 uur. Ik hoor een aanhoudend, zacht gebonk. Eerder hadden we dat ook al eens gehoord. De kleinzoon van de oude buurvrouw stond toen ongeduldig tegen haar deur te duwen. Omdat ze niet snel genoeg openmaakte. Ietwat geërgerd ga ik kijken. Hij staat er weer. Telkens als hij duwt veert onderaan de deur een beetje open en bonkt dan terug. Hij heeft de deur van het slot gedaan, maar bovenaan zit de deur nog op de knip. Ik vraag het jochie vriendelijk niet zo met de deur te bonken, omdat de kinderen nog slapen.

“Oma is gevallen, ze kan niet meer opstaan”.
“De deur zit op de knip, de schuifpui is dicht en alle ramen zijn dicht”.

Van buitenaf, heeft de jongen het voor de brievenbus hangende gordijn wat opzij geschoven. Ik laat hem via de brievenbus vragen of ze pijn heeft en of we politie en huisarts zullen bellen.

Als de politie de deur heeft opengebroken zien we de buurvrouw in haar pyjama op de grond zitten. Huilend. De dienstdoend huisarts komt langs en vertrekt even later weer. De politie blijft nog even.

weggebracht
op een oranje brancard
Koninginnedag

Na onderzoek in het ziekenhuis lijken er gelukkig geen hersenletsel, heup-, been-  of andere botbreuken te zijn (30 april, eind van de middag)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.